Hoofdstuk 2 .


42 views
Uploaded on:
Category: Sales / Marketing
Description
Hoofdstuk 2. Overzicht . Inhoud hoofdstuk 2. 0. Wat is Macro-economie ? 1. Totale Productie (‘Aggregate Output’) 2. Werkloosheid 3. Prijsstijging (Inflatie) 4. “Wegwijzer” = Structuur cursus. 2.0 Wat is macro-economie. Wat is macro-economie?? . 1.Omschrijving
Transcripts
Slide 1

Hoofdstuk 2 Overzicht

Slide 2

Inhoud hoofdstuk 2 0. Wat is Macro-economie ? 1. Totale Productie (\'Aggregate Output\') 2. Werkloosheid 3. Prijsstijging (Inflatie) 4. "Wegwijzer" = Structuur cursus

Slide 3

2.0 Wat is full scale economie

Slide 4

Wat is large scale economie?? 1.Omschrijving 2.Verschil met small scale economie 3.Gebruik van veronderstellingen 4.Meningsverschillen

Slide 5

Wat is full scale economie?? 1.Omschrijving Definitie Variabelen: doel-en determinant beschrijven ��  verklaren ��  beïnvloeden Kan/Mag/Moet economisch beleid ?? Voorbeeld : fiscaliteit

Slide 6

Wat is large scale economie?? 2.Verschil met miniaturized scale economie Definitie small scale economie Macro meer dan sommatie van smaller scale Beide hebben eigen functie

Slide 7

Wat is full scale economie?? 3.Vereenvoudigende veronderstellingen Noodzakelijk Soms verkeerd begrepen (vergelijk met labo-experimenten) Criteria: plausibiliteit, toetsing en aanpassing

Slide 8

Wat is large scale economie?? 4.Meningsverschillen Ook soms verkeerd begrepen ("niet wetenschappelijk") Nochtans logisch : Waarom? Verschillende doelstellingen/waarden Ook verschillende tijdshorizon Verschillende veronderstellingen Economie is menswetenschap

Slide 9

2.1 Totale productie

Slide 10

Totale Productie Aggregate Output = Totale productie (Nationaal inkomen) Gross Domestic Product (GDP)= Bruto Binnenlands Product (BBP) Productie ��  Inkomen ��  Bestedingen ��  Productie ��  … .

Slide 11

Totale Productie Definitie BBP: Drie Benaderingen 1) Som waarde finale goederen 2) Som Toegevoegde Waarde 3) Som Inkomen

Slide 12

Bedrijf 1: Staalbedrijf Opbrengst uit verkoop $100 Uitgaven (lonen) $80 Winst $20 Bedrijf 2: Autobedrijf Opbrengst uit verkoop $200 Uitgaven $170 Lonen $70 Aankoop staal $100 Winst $30 Totale Productie (p.22) BBP: Benadering finale goederen BBP? $300 of $200

Slide 13

Totale Productie Definitie BBP Antwoord: $200 Bij sommatie van beide bedrijven ($100 + $200) is de $100 in staal een dubbeltelling Telling van enkel finale goederen (auto\'s) omvat het intermediair goed (staal)

Slide 14

Toegevoegde waarde = waarde productie - waarde intermediaire goederen Totale Productie Definitie BBP: Drie Benaderingen 2) Methode Toegevoegde waarde

Slide 15

Totale Productie Voorbeeld Staal Geen intermediaire goederen Toegevoegde waarde = $100 Auto\'s Intermediaire goederen (staal) = $100 Toegevoegde waarde = $200 - $100 = $100

Slide 16

BBP (200)= = Toegevoegde waarde staal (100) +Toegevoegde waarde auto\'s (100) Totale Productie Voorbeeld

Slide 17

Totale Productie Definitie BBP Benadering finale goederen = benadering toegevoegde waarde Beide benadering vertrekken van productiezijde Derde benadering vertrekt van inkomenszijde

Slide 18

Totale Productie Inkomen= Opbrengst, na betaling intermediaire goederen, gebruikt voor betaling belastingen (indirecte belastingen) betaling arbeiders (nut case) beloning kapitaal (firma, aandeelhouders)

Slide 19

BBP (by means of inkomen)= belastingen + inkomen arbeid +inkomen kapitaal Totale Productie Definitie BBP 3. BBP through inkomensbenadering

Slide 20

Inkomen (staal) Arbeid = $80 Kapitaal = $20 $100 Inkomen (auto) Arbeid = $70 Kapitaal = $30 $100 BBP (by means of inkomen)= 100 + 100 = 200 Totale Productie

Slide 21

Totale Productie Definitie BBP–Samenvatting Productiebenadering (finale goederen of toegevoegde waarde) = Inkomensbenadering (waarde som indirecte belastingen + arbeidsinkomen + kapitaalinkomen)

Slide 22

Tabel 2.1

Slide 23

In percent van BBP 1970 2000 Landbouw 3.6 1.4 Nijverheid 33.0 19.4 Bouw 6.9 5.2 Electr, gas, water 2.3 3.2 Handel en banken 25.4 26.5 Vervoer en verkeer 7.2 7.1 Overige diensten 22.3 25.7 Aandeel Toegevoegde waarde sectoren in BBP België, 1970 en 2000 Bron : Heylen F. (2000)

Slide 24

In percent van BBP 1980 1996 Inkomen uit arbeid 70 64 Inkomen uit kapitaal 16 22 Zelfstandige activiteit 15 13 Samenstelling Inkomen België, 1980 en 1995 Bron : Heylen F. (2000)

Slide 25

Nominaal – Reëel BBP Nominaal & Reëel BBP = de waarde van geproduceerde finale goederen en diensten Waarde is de prijs van het finaal goed Daarom, BBP = Prijs x Hoeveelheid Welke prijs??? Hogere prijzen vertekenen de BBP-allotting van productie naar boven toe

Slide 26

Nominaal – Reëel BBP Nominaal BBP = P t x Q t Reëel BBP = P premise x Q t Synoniemen: Nominaal BBP = BBP in lopende of werkelijke prijzen Reëel BBP = BBP in vaste of constante prijzen

Slide 27

Nominaal – Reëel BBP

Slide 28

Figuur 2.1

Slide 29

Vergelijking inkomen landen 1994 (Bron: Gartner) Inkomen per NOMINAL PRIJS REEEL capita in dollars tov VS Portugal 9.370 0.76 12.400 Zwitserland 37.180 1.52 24.390 V.S. 25.860 1 25.860

Slide 30

Totale Productie Technische afspraak: Notatie BBP (GDP) = reëel BBP (GDP) Y t = reëel BBP in jaar t $BBP = nominaal BBP $Y t = nominaal BBP in jaar t

Slide 31

Totale Productie Technische afspraak: Notatie BBP groei in jaar t = wijziging reëel BBP jaar t BBP groei = (y t - y t-1 )/y t-1 Expansie - periodes positieve groei Recessie - periodes negatieve groei (2 opeenvolgende kwartalen)

Slide 32

Totale Productie Recessie/Expansie: alternatieve definitie Begrip "potentiële yield" Begrip "yield kloof" Volgens OESO (2000) OESO: 0.7%/EUROlanden: - 0.1% Ierland: 4%/VS: 3.1% Japan: - 3.5% België: 0.2%

Slide 33

Output hole 2003 Bron: The Economist

Slide 34

Japan 3.5 Brazilië 2.4 + 500 % China 2.2 Frankrijk 2.1 Spanje 2.0 US 1.7 VK 1.6 India 1.0 Argentinië 0.6 Ghana 0.1 + 20 % Gemiddelde Jaarlijkse Groei Reëel BBP/capita 1913-90 Bron : Dornbush

Slide 35

1. Verdelingsapecten 2. Niet alle waardevolle goederen operation markt (Waarde vrije tijd ?) 3. Natuurlijke rijkdom en milieu 4. Kwaliteit goederen en diensten 5. "Unreasonable" effecten 6. BBP is Stroomvariabele BBP = Welvaartsmaatstaf, MAAR ...

Slide 36

BBP <- > "grijze" (zwarte) economie Waarom zwarte division ? Scraper groot ? % BBP 1989 België : 12 – 16 % Nederland : 5 – 22 % VS : 2 – 26 % … .

Slide 37

Alternatief: Human Development Index (VN) Bredere opvatting welvaart: onderwijs, levensverwachting, analfabetisme, … Relatie BBP - HDI > Hong Kong, Eq Guinea, (VS)… < Canada, Zweden, ...

Slide 38

Alternatief: Human Development Index (VN) - Vergelijking

Slide 39

2.2 Werkloosheid

Slide 40

aantal werklozen (U) werkloosheidsgraad (u) = - - beroepsbevolking (L) Werkloosheidsgraad Definitie werkloosheidsgraad Beroepsbevolking (L:\'labor drive\') = werkenden (N) + werklozen (U)

Slide 41

Werkloosheid Wie is werkloos ??? Definitie ILO Geregistreerde werkloosheid RSZ NWW = UVW + geen uitkering + oudere werklozen + … . Operation premise van bevragingen (EU : LFS)

Slide 42

Werkloosheid Vlaanderen Bron: VDAB

Slide 43

Werkloosheid Hoge werkloosheid gaat gepaard met Veel "ontmoedigden" ("drop out"/"demoralized") ��  U en L dalen ��  u daalt lage "participatiegraad" (definitie) OPM "werkgelegenheidsgraad" (definitie)

Slide 44

België 11.7 Nederland 4.5 Oostenrijk 4.6 Zweden 4.5 Noorwegen 4.0 Werkloosheid in kleine open economiën 2003 Bron : Heylen

Slide 45

Werkloosheid Twee bekommernissen A. Economische activiteit B. Sociale welvaart A. Wet van Okun Hoge groei ��  Daling u Lage groei ��  Stijging u Werkloosheid is onderbenutte capaciteit

Slide 46

Figuur 2.2(ed2003)

Slide 47

Toename groei met 1 % - > Gevolg voor werkloosheidsgraad ?? (1961 – 89) Duitsland - 0.8 UK - 0.5 Italië - 0.5 Zweden - 0.4 (1982 – 2003) België - 0.454 Schattingen Relatie OKUN Bron : Heylen, Burda

Slide 48

Werkloosheid B. Sociale implicaties Financieel Sociaal en psychologisch "Risicogroepen" Voorbeeld Spanje

Slide 49

2.3 Inflatie

Slide 50

Inflatie Inflatie= opeenvolgende stijging prijzen Inflatiegraad: mate waarin prijzen stijgen Twee maatstaven Deflator BBP Consumentenprijsindex (CPI)

Slide 51

Inflatie BBP - Deflator Gemiddelde prijs van geproduceerde finale goederen BBP-deflator in jaar t = P t

Slide 52

Inflatie BBP Deflator P t is een list pass on wordt gebruikt om wijziging doorheen de tijd weer te geven t.o.v.basisjaar (vb 2000)

Slide 53

Inflatie Consumentenprijsindex (CPI) Gemiddelde prijs geconsumeerde goederen en diensten CPI niet gelijk aan BBP deflator Soms finale goederen verkocht aan bedrijven, overheid, buitenland Soms consumptiegoederen geïmporteerd

Slide 54

Figuur 2.4

Slide 55

Nederland 2.2 Duitsland 2.1 Oostenrijk 2.4 V.S

Recommended
View more...